
Hoe langer ik in het onderwijs werk, hoe meer het me gaat storen: dat denken in termen van het individu. ‘Op onze school staat de leerling centraal´. En: ‘de leraar maakt het verschil.’ Waar komt dat toch vandaan, die drang om het alsmaar over mensen in enkelvoud te hebben?
Natuurlijk snap ik het wel: zulke leuzen zijn stijlkeuzes. Het idee erachter is dat ze aanspreken, omdat ze persoonlijk klinken. Toch is het ook wat vals, want degenen die zulke teksten gebruiken snappen heus dat in het onderwijs iedereen belangrijk is – nooit uitsluitend een enkel individu.
Het klinkt misschien muggezifterig, maar taal doet ertoe. Voor je het weet, worden door dit soort kretologie opvattingen misvattingen over de opgave van het onderwijs. En dus ook over de vraag wanneer je het als school of opleidingsteam goed doet, wat er allemaal wel en niet op het bord van docenten moet liggen (meestal meer wel dan niet), en hoe je er dan voor moet en kunt zorgen dat je leerlingen goed naar hun nieuwe rol in de samenleving leidt.
Docenten(teams) centraal
In mijn boekbespreking van ‘De leraar als professional’ bevraag ik de keuze om de leerling(en) of student(en) centraal te stellen. Natuurlijk staat buiten kijf dat alles wat opleidingen doen erop gericht moet zijn dat studenten leren in een veilige en vertrouwde setting, dat ze aan het eind van hun schoolloopbaan meer kunnen en kennen dan toen ze binnenkwamen, dat ze ook in hun persoonlijkheid en relaties zijn gegroeid.
Dat is het doel van het onderwijs, de opgave. Maar dat is iets anders dan de wijze waarop je dat doel behaalt. Een onderwijsinstelling doet dat goed wanneer die de docenten, of beter de docententeams, centraal stelt. Want zij moeten, gezamenlijk, dat doel verwezenlijken. En dat is nog best een uitdaging zolang we blijven redeneren in termen van de docent als individu.
In teams die ik begeleid, werken docenten aan onderwijsvernieuwing en/of een gezamenlijke pedagogisch-didactisch aanpak. Het komt dan wel eens voor dat een individuele docent liever een eigen lijn trekt. Omdat de gemaakte afspraken niet bij diens eigen aanpak passen, of omdat de docent daar niet goed in is meegenomen, of om wat voor andere reden ook.
Bij ontwikkeltrajecten zie ik dat docenten in eerste instantie bij voorkeur op eigen gelegenheid doorwerken. Liever verdelen ze taken, vakken of lessen (‘dan ga ik sneller’) dan dat ze samen met collega’s samenhang aanbrengen in een onderwijsprogramma of vakken integreren. En wanneer mijn collega-adviseurs of ik evidence informed aanpakken introduceren, halen docenten wel eens de schouders op: wat elders werkt, werkt niet in mijn klassen. Terwijl de vraag dan is waarom iets niet werkt: heb je het wel geprobeerd, en heb je het dan ook goed gedaan, zou het wel werken als je de voorbeeldaanpak meer afstemt op jouw klassen?
Docenten maken samen het verschil
In zulke gevallen bewaken docenten hun professionele individuele autonomie. Of althans, ze bewaken vooral hun zelfstandigheid en keuzevrijheid – want dat is de invulling die ze aan autonomie geven. Maar dat is een nauwe opvatting van autonomie – en het is er een die uiteindelijk niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van het onderwijs. Want keer op keer blijkt uit onderzoeken en landelijke aanpakken zoals Ontwikkelkracht dat studenten beter leren in teams waarin docenten actief, doelgericht en bewust samen werken aan het verbeteren van onderwijs. Er is dan sprake van een collectief weten dat en hoe ze goed onderwijs geven.
Daar komt nog iets bij. Docenten zien studenten maar een paar keer per week, en veelal als onderdeel van de klas. Hoe goed alle docenten ook hun best doen om alle studenten te zien – het is onmogelijk voor elke docent om van iedere student een compleet beeld te krijgen. Daarom is het zo belangrijk te werken aan de relaties met studenten: de ene les heb je een iets langer gesprek met de ene student, de andere met een andere student en zo bouw je gedurende het jaar samen iets op.
Maar het is net zo belangrijk te beseffen dat iedere docent iedere student anders ziet. De ene student gedraagt zich in de ene les en bij de ene docent heel anders dan bij de andere. Dat levert allemaal verschillende momentopnames op. In het boek Structureel werken aan onderwijskwaliteit verwoordt Lotteke de Kruijff heel mooi dat studenten ‘niet ondeelbaar’ zijn. Ze bedoelt daarmee dat je in je eentje niet een compleet beeld kunt krijgen van alle studenten. Maar met elkaar kun je dat wel. Docenten die het verschil maken, staan samen om hun studenten heen.
Docenten zijn meer dan lesgevers
Daarvoor is wel nodig dat docenten hun rol breder opvatten dan als die van uitsluitend lesgever. En dat hun onderwijsinstellingen ze daar ook in meenemen. In het mbo maken veel zij-instromers de overstap vanuit het werkveld. In een – verkorte – opleiding pedagogisch-didactisch handelen focussen ze op het lesgeven, op hun relatie met hun studenten. Dat is hard nodig, want daar ligt een grote uitdaging – klassenmanagement en studentbegeleiding blijken vaak, zeker in het begin, belangrijker en moeilijker dan het overdragen van vakkennis.
Maar de keerzijde van die focus is dat het beeld ontstaat dat dat de essentie van het beroep is, en dat al het andere – cijfers invoeren, overleggen, onderwijs ontwikkelen, taken als examinering, voorlichting, intake, etc – voelt als extra, of iets dat op andermens bord zou moeten liggen. Terwijl dat alles ook deel uitmaakt van die essentie, bijdraagt aan die relatie. Zo is cijfers invoeren niet uitsluitend een administratieve handeling: het is een moment waarop je inzicht kunt krijgen in de kwaliteit van de lessen en je eigen instructie, en dus ook een kans om daarin verbeteringen aan te brengen. Zolang dat echter voelt als werkdrukverhogende ballast, werkt dat door in hoe je voor de klas staat.
Ik bemerk soms best wat frustratie in docententeams, zeker nu naar het eind van het jaar, wanneer we allemaal op ons tandvlees lopen. Iedereen wil het beste voor de studenten die nu in huis zijn en naar hun diplomering toewerken. Ontwikkeling voor het komende schooljaar of zelf professionaliseren komt dan slecht uit. Maar de studenten die we komend jaar verwelkomen, moeten ook een goed programma krijgen. En daar hoort ook bij dat je nieuwe onderwijskundige inzichten toepast en aansluit bij nieuwe wet- en regelgeving.
Probleem is dat er te veel moet gebeuren in te weinig tijd (zie blog over onderwijstijd, volgt). Het is belangrijk dat teams daar meer ruimte voor krijgen, en dat ze die pakken. Dat docenten inzien dat ze zich niet uitsluitend als lesgever moeten richten op hun relatie met hun studenten, maar dat de relatie met hun collega’s net zo belangrijk is. Want naast lesgever, zijn docenten ook collega’s, en ontwikkelaars, en lerenden. Dit is ook zichtbaar in het beroepsbeeld van het mbo.
Collega’s zijn in het onderwijs, samen een effectief docententeam zijn, gaat verder dan wekelijkse overleggen of af en toe een team(buildings)uitje. Het vraagt om samen invulling geven aan de gezamenlijke opgave van het team, en ook samen hun professionaliteit versterken.
Drie keer lezen
Op een ander weblog verzamel ik in de rubriek #2xlezen zinnen die je op twee manieren kunt interpreteren. De zin ‘je bent niet alleen docent’ kun je lezen zoals hierboven geschetst: docent zijn is meer dan alleen lesgeven, het betekent ook dat je onderwijs ontwikkelt, evalueert, verbetert. En taken eromheen hebt, zoals begeleiding bij de beroepspraktijkvorming (BPV), voorlichting en intakegesprekken, overleggen met vertegenwoordigers uit het werkveld etc.
Het gaat er ook om dat geen enkele docent volledig samenvalt met diens beroep. Vaak wordt over het beroep gesproken als een roeping, wat impliceert dat het docentschap een identiteit verschaft aan de beoefenaar. Maar een baan is slechts een deel van iemands leven. Docenten zijn ook iemands kind, soms behept met mantelzorg, soms rouwend om het verlies van overleden ouders. Velen zijn zelf iemands ouders of partner, en willen dus tijd besteden aan hun gezin of relatie. Sommigen zijn (gedeeltelijk) ziek, neurodivergent, hebben relatieproblemen, noem maar op. Daarnaast heeft iedereen nog vriendschappen te onderhouden, en hobby’s en/of soms vrijwilligerswerk.
Wanneer docenten zelf bijscholen, of dat in de vorm is van een training of cursus, of anderszins – dan zijn docenten ook zelf weer student. En als het goed is, zijn ze dat elke dag, omdat ze elke dag kunnen leren van hun studenten.
Ten derde, en dat is hier het belangrijkste, gaat het erom dat je niet in je eentje bent. Docent zijn is geen solistisch beroep, maar een team effort. De derde manier van lezen is dan ook dat je er niet alleen voor staat: je bent collega in een team van docenten. Samen zijn docenten verantwoordelijk voor al het onderwijs aan alle studenten van de opleiding. Je kunt op elkaar leunen. Dat betekent dat je, zoals Iliass El Hadioui stelt, een goede balans moet vinden tussen ‘ik en wij’.
Wanneer we het docententeam centraal stellen, moeten we dit alles niet vergeten. Want wie je collega’s nog meer zijn, en wat hen buiten werk om bezighoudt, werkt ook door in hoe zij invulling kunnen geven aan hun rol in het team. En daarmee aan hoe het team samen zorgt voor het best mogelijke onderwijs voor alle studenten.
Doceren is meer dan lesgeven, je bent meer dan alleen docent, en docent zijn doe je niet alleen.